Onze samenleving blijft verrassen. De zinvraag leek goeddeels voorbij, maar blijkt ineens weer actueel. Onverwacht popte ze onlangs op in de onverdachte – moeilijk nader te definiëren maar breed maatschappelijk aanvaarde – bubbel van de Volkskrant. Fokke Obbema, werkzaam bij genoemde krant, presenteerde er zijn nieuwste pennenvrucht: De zin van het leven. Gesprekken over de essentie van het bestaan. In het vorige nummer van De Nieuwe Koers stond een uitgebreid interview met hem. De aanleiding? Op 54-jarige leeftijd werd hij getroffen door een hartstilstand en was ‘even dood’. Dit overrompelende gebeuren – ‘waardoor alles in één klap zou zijn weggevaagd wanneer mijn hartstilstand de gebruikelijke afloop zou hebben gekregen’ – maakte bij Obbema zoveel los dat hij gedreven werd om op zoek te gaan naar de essentie van het leven. Ik dacht aan de metafoor van C. S. Lewis, die het lijden typeerde als ‘Gods megafoon’ om ons wakker te roepen uit zelfverzekerdheid: blijkbaar kan dat nog steeds! Goddank, denk ik dan stilletjes.

 De persoonlijk clash motiveerde Obbema tot een veertigtal gesprekken, die hij een jaar lang voor de Volkskrant voerde met allerlei mensen, al dan niet religieus, uit een breed maatschappelijk spectrum. Het was voor hem een zoektocht met lotgenoten – we zijn allen ‘broeders in de dood’ (Nietzsche) – naar houvast in de compleet ontregelende confrontatie met vergankelijkheid en dood. Het bracht hem tot zeven opmerkelijke inzichten. Ik som ze hier op, omdat het mij als dominee te denken geeft dat dit soort gedachten vandaag geventileerd worden: 1) Kwetsbaarheid als essentie en het belang van verbinding; 2) Veerkracht in ontbering en dankbaarheid; 3) Het leven als leerschool; 4) Hoop op vooruitgang – op weg naar een groter ethisch bewustzijn?; 5) Beperking van de wetenschap en herwaardering van religie; 6) Het nut van de dood als aanjager voor het leven; 7) Geen zin, wel betekenis! Ik hoor er bijbelse principes in.

Achter deze inzichten gaat een breed en gevarieerd scala van gedachten schuil. Wat mij daarin het meeste opviel is dit: bijna geen mens kan de neiging om na te denken over de essentie van het leven weerstaan. Zelfs wie op grond van een evolutionistische overtuiging gelooft in de loutere toevalligheid en dus intrinsieke zinloosheid van ons bestaan, ontkomt er niet aan. Ook de bewuste ontkenning van zin en besliste weigering om de meerwaarde van ons mensen te overwegen, is een doordachte keuze met betrekking tot de essentie van het leven. Bovendien is het evident dat een mens méér is dan een zich vermenigvuldigende klomp cellen. Als nadenkende wezens is het dan ook onmogelijk om onbewust te zijn van onszelf, te bestaan zonder betekenis.

Voor Obbema is de winst van deze zoektocht dat de agnost, het niet-weten, het gewonnen heeft van de atheïst, de categorische verwerping van het goddelijke. ‘Dat is me te dogmatisch geworden’, bekent hij. Zonder me rijk te rekenen, adem ik daarvan op in de verstikkende atmosfeer van de tweedimensionale werkelijkheid onze cultuur vaak beheerst. Het feit dat er een klimaat is waarin Obbema zijn observaties vrijmoedig kan delen en deze open minded worden ontvangen toont bovendien aan dat er barsten en scheurtjes komen in het areligieuze bastion dat sinds de jaren zestig is opgetrokken. Er komt op zijn minst ruimte voor twijfel. Bavinck, die in de vijftiger jaren als zendingstheoloog werkte aan de VU en de spirituele kaalslag aan zag komen, stelde al: wegdrukken en ontkennen van God zal op den duur altijd onmogelijk blijken, zolang de mens mens is en God God. De opgedane inzichten hebben iets van omgeploegde grond. Goede aarde is dat voor het evangelie. Het geeft me nieuwe zin!

Paul Visser

Deze column verscheen in De nieuwe Koers, november 2019

Photo by Danielle MacInnes on Unsplash

Previous Post

Related Posts

Leave a Reply

We are using cookies to give you the best experience. You can find out more about which cookies we are using or switch them off in privacy settings.
AcceptPrivacy Settings

GDPR

  • Google Analytics

Google Analytics