De twee gezichten van armoede

‘Mijn vriendin wil een kopje thee!’ Hij zegt het met een grote glimlach op zijn gezicht, terwijl hij wijst naar een chique geklede dame, met een dure tas, die druk telefonerend op het plein voor de kerk staat. Op dat moment ben ik koffie aan het drinken met een “veegploeg”, een groep daklozen die elke dinsdag- en vrijdagmiddag vuil rapen in de Jordaan en halverwege pauze komen houden bij de kapel.

Dit mooie initiatief werd een tijdje geleden geboren. Vanuit het Koffiehuis aan de Haarlemmerstraat worden dagelijks vier veegploegen de stad in gestuurd. Tegen een kleine vergoeding hebben ze werk en belangrijke nog: structuur. Een paar maanden geleden overleed vrij plotseling één van de begeleiders van de groep en dat had nogal impact. Men ging op zoek naar een plek waar ze hun verhaal kwijt konden. Een luisterend oor, wellicht een moment van stilte, het aansteken van een kaarsje, een gebed. Kortom, aandacht voor de “binnenkant”, voor de ziel. En eigenlijk was die plek snel gevonden, want op steenworp afstand van het Koffiehuis, staat onze kerk, met elke dag een open kapel. Samen met de pastores van het drugspastoraat zijn we nu op twee dagen in de week beschikbaar voor deze groep en gaan we met hen in gesprek.

Sinds twee weken komen ze dus, mannen en vrouwen die getekend zijn door het harde leven in de stad. Vandaag zei er nog één tegen mij – ik spreek Spaans met hem: ‘Todos estamos jodidos!’ ‘We zijn allemaal verknipt.’ Ik begroette hem namelijk met een kopje koffie en vroeg hoe het ging. Dat moest ik niet nogmaals vragen, zo maakte hij me duidelijk, want als je op straat woont, gaat het nooit goed met je. Het kwam er rauw uit… maar het kwam er uit… Twee weken lang, had hij afgezonderd van de groep gezeten en had hij niets gezegd. Vorige week kwam ik er achter dat hij het beste in het Spaans aangesproken kon worden. En vandaag spraken we en kwamen de tranen in zijn ogen.

Het is mooi om te zien hoe we elkaar steeds een stukje beter leren kennen. Zo ook de sfeermaker van de groep, die steeds met iedereen een geintje maakt. En uitgerekend hij komt naar me toe en vraagt om een kopje thee voor zijn “vriendin”. Ik kijk hem lachend aan: ‘Jij charmeur! Hoe heb je dat nu voor elkaar gekregen? Zo’n mooie vrouw gestrikt!’ Hij kijkt me met ondeugende ogen aan: ‘Je moet ze wel wat kunnen aanbieden. Een kopje thee, bijvoorbeeld!’ Ik beloof dat ik zo naar haar toe zal gaan, als ze klaar is met bellen, want ze lijkt het druk te hebben.

Na een paar minuten hangt ze op. Ik loop naar haar toe. Beloofd is beloofd. Ik vraag of ze misschien zin heeft in een kopje thee. Ik vermoed dat ze af zal slaan, deze vrouw gaat veel liever op een terrasje zitten, maar tot mijn verbazing wil ze dat dolgraag. En daar staat ze, goedgekleed, tussen de daklozen. We raken aan de praat. Ze vindt het bijzonder wat hier gebeurt. Hoe we aandacht hebben voor mensen die het minder hebben. Zelf zit ze namelijk ook in de bijstand. Ja, het was eens anders. Toen kon ze uitgebreid shoppen. Maar het leven had haar gebroken. Voor zo’n daagje de stad in kleedt ze zich nog goed – de kleding had ze tenslotte. Maar voor de rest moet ze de eindjes aan elkaar knopen. Zo’n gratis bakje thee is dus van harte welkom.

‘We zijn allemaal verknipt’, blijkbaar geldt dat niet alleen als je op straat leeft. Blijkbaar heeft armoede ook een ander gezicht. Misschien zijn we allemaal wel gebroken. En begint genade, herstel, met dat onder ogen te zien. En voorbij het masker, of het vuil, de mens te zien. Echt te zien. Dat wil zeggen: te zien zoals God hem of haar ziet. We zijn allemaal verknipt… én we zijn allemaal geliefd.

Andere berichten

Leave a Reply